Knisperen

2 december 2020

‘Je grote teen erin gaat nog wel,’ zegt A.
‘Wacht op mij,’ zeg ik.

Zaterdagmorgen, half tien. Als we aan komen fietsen over het bospad strekt de Kralingse Plas zich als een gemoedelijke lobbes voor ons uit, alsof hij er alvast lekker voor gaat liggen, zijn armen voor ons spreidt en zegt: ‘Kom maar, jongens, ik ben 4,2 graden vandaag.’

Op het strand, tussen het naturistenstukje en de oude eiken, kleden we ons om.
‘Wat doe je?’ vraagt A.
‘Als ik zo naar voren hang heb ik rimpelknieën.’
‘Niet hangen, dan.’
Ik kom overeind. A. kijkt. ‘O, nu nog steeds,’ zegt ze.

‘Gaan jullie er echt in?’ vraagt een man die zijn hond uitlaat. De hond laat een kwijlspoor achter op een van onze theeglazen.

Tijdens het omkleden praten we over A.’s oudste zoon, die haar tegenwoordig kan optillen, en over mijn dochter van twaalf, die weinig leuk vindt aan mij, maar mijn blauwe Adidasjasje sinds dinsdag ineens ‘ons jasje’ noemt. We hebben het over onze oude moedertjes en hoe ze met gebogen ruggetjes bij de tramhalte staan. En over de kuiten van 25-jarige voetballers.

Dan dus die grote teen het water in.

We gillen niet meer, zoals vorig jaar. We lopen stapje voor stapje het water in, over de geribbelde zandplooien, steeds iets verder. Met venijnige watertandjes bijt de plas in onze nek en schouderspieren. We kijken elkaar niet aan, we halen adem met een traagheid alsof we op een schapenvachtje bij de open haard zitten. Je hart is warm, je hart is warm. Dan dompelen we onszelf onder.

En dan is er het moment dat je doorkomt, alsof je lichaam zich gewonnen geeft – oké, prima, zwem jij maar in 4,2 graden – en je om je heen kan kijken. Wow, kijk, de lucht, met roze zweempjes wolk erdoor. Kijk, op de meerpalen bij de steiger: zwarte eendjes, minimeeuwen, aalschooiers. ‘Op elke paal zit iemand!’

Na 7 minuten gaan we eruit.

‘Hier, je boterhamzakjes,’ zegt A. Als wankele flamingo’s kleden we ons om. Om onze natte gevoelloze zandvoeten doen we eerst plastic boterhamzakjes, als een soort halve sokken, daarna pas gewone sokken, dan piepen je voeten beter door het elastiek van je  broekspijpen.

Eenmaal aangekleed begint het grote huiveren. Bibberkaken, klappertanden, thee met kardemom en chilivlokken. Ik trek de capuchon van mijn hoodie over mijn voorhoofd en daarna de col van mijn trui tot over mijn neus, en A. doet hetzelfde, en zo kijken we, als mollen uit hun molshoop, over de plas, onze plas, met alleen in de verte bij de molen één zeilbootje. De rest van de zaterdag lopen we rond op boterhamzakjes, knisperend van geluk.

 

 

Hier nam mijn boekhouder me mee uit zwemmen, en hier hadden we de sleutel van het zwembad.

Foto: Audrey Hartman


Geef een reactie