Bonbonnière

21 september 2017

We zitten voor de tent en kijken naar de kampeerders die voorbijlopen.
‘Die man had toch al afgewassen?’ zeg ik tegen mijn vriend.
Hij zegt: ‘Dit is een andere.’

Alle mensen op deze camping lijken op elkaar. Iedereen is blank, tussen de dertig en de vijftig, en heeft kinderen met namen uit de boeken van Annie M.G. Schmidt.
De vaders hebben baarden, fietsen rond op Kronan-fietsen met voorop een kratje van Marqt, en ze zeggen dingen als: ‘Ja joh, maar dat is duwen en trekken aan een ezel’ en: ‘Dat heb je met dingen, hè, dat ze twee kanten hebben.’ Twee keer zien we een vader de downward facing dog in zijn voortent doen.
De moeders dragen noppenjurken of kokerrokjes, en vestjes – ook witte. Sommigen lopen op hakken. Een paar hebben zo’n huidskleur waarvan je niet zeker weet of die nou een teken van blakende gezondheid is of van gebrek aan lekker eten. Ze zeggen dingen als: ‘Er was daar een vrouw, die had veel met kinderen gewerkt, dat was héél inspirerend.’ En: ‘De sperzieboontjes komen allemaal uit de volkstuin.’

De campingwinkel is trouwens een Gimsel waar ze vijf merken tahin verkopen en snoep dat verpakt is in gerecycled plastic dat keihard knispert als je het openmaakt.
Bij de receptie ligt een folder met de tien geboden van de camping, maar wij denken dat het er meer zijn.
Namelijk:

Leg boeddhakleden op de grond in je tent en hang ze ook op. Het mogen ook handdoeken met BIKRAM YOGA AMSTERDAM erop zijn, of yogamatjes. Hang kleine lampjes aan de luifel en zet schemerlampen neer.
Leg schapenbontjes in je kampeerstoelen.
Dek je campingtafel met een rood-wit geblokt kleedje, zet er een keramieken vaas met veldbloemen op, een hoge houten pepermolen voor bij het avondeten, en eventueel een bonbonnière.
Afwassen doe je met Ecover, en je kind noem je Tibbe, Boaz, Ronja, Abel of Duende (als je die van de bonbonnière bent).

Mijn vriend en ik moeten van onszelf uitzoeken waarom we nu precies geïrriteerd zijn, maar dan zegt mijn vriend weer iets als ‘Kijk dat’ en worden we weer afgeleid van het zoeken naar woorden door een vader met een alpinopetje en een boodschappentas waar een prei uit steekt of door een kind dat heel hard op een zelfgemaakte blokfluit fluit.

In elk geval begin ik sterk te verlangen naar iets wat afwijkt, misgaat, een beetje krom is of uit de pas loopt, of op zijn minst alleen maar functioneel is. Gewoon, het imperfecte. Hoe moeilijk kan dat zijn?

Op een mooie ochtend stap ik het wasgebouw binnen. Daar staat een medewerker van de camping. Hij ontstopt de gootsteen met een spulletje uit een enorme fles die naast hem staat. In fluorescerende kleuren staat er KING op, en zo’n doodshoofdje, en in venijnige letters dat je dit spul niet moet inademen. Geen EKO-keurmerk te bekennen, nee, er is werkelijk niets biologisch aan deze fles.
‘Jij bent mijn vriend!’ roep ik tegen de man, of nou, dit denk ik.

Verder vind ik dat mannen best aan yoga mogen doen. Maar niet in hun voortent.

 

 

Hier lees je over buurman Frans, hier over waarom de Finnen zwijgen, en hier over een camping waar van alles gebeurde.

 

 

 


Geef een reactie